1914-1918: Renners in de oorlog

Charles Crupelandt, de winnaar van Parijs – Roubaix in 1912 en 1914 en vierde in de Tour de France van 1911, had in de ronde van 1914 de strijd in de vierde rit gestaakt op weg naar La Rochelle. Daarna was hij naar Berlijn gegaan om daar wat pistekoersen af te werken. Toen Frankrijk op 1 augustus de oorlog verklaarde aan Duitsland, omdat men zich aan een overeenkomst met Rusland moest houden, was Crupelandt daar nog steeds. Om niet in gevangenschap te raken gaf hij zich uit voor een Hollander. Hij kroop in een stampvolle trein richting Keulen en verstopte zich daar vrijwel de hele reis in een toilet. Vanuit Keulen kon hij de grens met Nederland overkomen en via Amsterdam uiteindelijk Brussel bereiken. Daar was hij nog net op tijd om voor de oprukkende Duitsers in zijn geboorteland te komen. Zijn fietsen, truien, waarbij die van het Franse kampioenschap op de weg dat hij in ’14 had gewonnen, was hij kwijt. Alles was in beslag genomen.

Charles Crupelandt ontsnapte in augustus 1914 per treintoilet uit Duitsland.
FOTO: ARCHIEF RON COUWENHOVEN

De Franse kampioen werd later ook gemobiliseerd en bij het Franse leger ingelijfd als motorordonnance. De eerste dag van zijn dienst kwam hij bij Longwy gelijk onder vuur. Men dacht lang dat hij krijgsgevangene was gemaakt, maar in november berichtte Louis Trousselier, de winnaar van de Tour 1905, dat hij Crupelandt in Reims was tegen gekomen. Daarna raakte de Franse kampioen uit beeld totdat L’Auto in april 1915 een tip kreeg dat hij in het hospital du Pantheon in de Rue Lhomond in Parijs op zaal 5, bed 9, lag. Er ging onmiddellijk een verslaggever op af die van de Franse kampioen vernam dat hij sinds hij in augustus naar Duitsland was gegaan, zijn vrouw en dochtertje niet meer had gezien. Zij woonden in Roubaix en dat was inmiddels bezet gebied.

‘Ik werd motorordonnance achter het front, maar in maart was ik onderweg toen er een granaat vlakbij mij ontplofte,’ vertelde hij. ‘Ik viel met mijn motor en brak mijn sleutelbeen.’ Het ging inmiddels weer een stuk beter met hem. De berichten over de topcoureurs waren in deze chaotische maanden alarmerend.

Op 1 november kwam de krant van Desgrange met geruststellend nieuws over kampioenen, waarvan werd vermoed dat ze waren gesneuveld. Tourwinnaar Philippe Thys woonde in Parijs bij zijn neef Dorvilie. Hij zou zich in 1915 bij het Belgische leger aansluiten en als monteur bij een vliegkamp bij Parijs worden ingezet. Henri Pelissier was in Parijs, maar zijn broer Jean lag gewond in een hospitaal in Toulon. Francois Faber was kerngezond in Bayonne, waar hij gelegerd was, en was zes dagen eerder nog gezien in een winkel van Peugeot. Cyril van Houwaert, de Vlaamse kampioen, was chauffeur geworden bij het Belgische leger in Calais, Louis Heusghem had deelgenomen aan de woeste gevechten bij Antwerpen, maar had naar Holland kunnen ontsnappen. Hij had er een brief over geschreven naar zijn vriend Barthélemy, ook een Tourrenner.

Henri Pelissier en Oscar Egg op de Aubisque. Desgrange had zware kritiek op het rijden van de Fransman.
FOTO: ARCHIEF RON COUWENHOVEN

Goed nieuws dus. Maar slechte berichten waren natuurlijk onvermijdelijk bij de enorme slachtingen die in de loopgraven van Verdun tot de IJzer plaats vonden. Lafourcade, die in 1910 als eerste renner de top van de Aubisque passeerde, sneuvelde. Emile Engel, in 1914 winnaar van de derde etappe Cherbourg – Brest, werd dood geschoten. De zwagers Hourlier en Comès, twee toppers op de piste, stierven in een luchtslag en op Quatorze Juilliet 1917 werd Octave Lapize, de Tourwinnaar van 1910, in een luchtgevecht neer geschoten. ‘Hij viel van een hoogte van 4000 meter in een gevecht van vijftien tegen één, zoals we van de moffen gewend zijn,’ meldde L’Auto. Hetzelfde jaar stierf tweevoudig Tourwinnaar Petit – Breton na een auto-ongeluk bij het front van Verdun.

De berichten waren schaars. Gedetailleerd nieuws van het front kwam er bijna niet. L’Auto werd terug gebracht tot twee pagina’s met voornamelijk oorlogsberichten, maar op 10 november was er weer voornaam wielernieuws. Iedereen hoopte op een korte oorlog. Dus publiceerde Desgrange alvast het nieuwe reglement voor de Tour de France 1915. Daarin rekende hij af met de ploegen van de rijwielfabrikanten, waar aan hij zich in de ronde van 1914 had dood geërgerd. De dominantie van Peugeot was zo enorm dat de koers volledig werd lam gelegd en er van een open strijd nauwelijks sprake was.

Henri Pelissier en Oscar Egg op de Aubisque. Desgrange had zware kritiek op het rijden van de Fransman.
FOTO: ARCHIEF RON COUWENHOVEN

De Tourbaas schreef: ‘Wat hebben we de laatste twee jaar gezien? Een hectische strijd in het begin van de koers totdat het merk dat het best georganiseerd was (en niet het merk dat de beste renners had) een duidelijk voordeel had. Op tweederde van de koers was de zaak beslist en de interesse van het publiek nam af. Het werd een irritant spectakel, waarbij twee man – Garrigou en Pelissier – de tweede rang bezetten en niets ondernamen om eerste te worden.’

Daar moest een einde aan komen. Zelfs al koersten alle betrokkenen voor hetzelfde merk, in dit geval Peugeot. Dus kondigde Desgrange een rigoureuze verandering aan: de merkenploegen vlogen uit de Tour en verder:
– ploegenspel werd verboden.
– de constructeurs hadden geen toegang meer tot de wedstrijd. Volgwagens werden geweerd.
– onderlinge hulp werd verboden. Zelfs als er voor het zelfde merk werd gereden.
– de monsterkoers zou alleen nog coureurs isolé kennen.

Met andere woorden: elke hulp voor de renners werd verboden. Iedereen moest zijn eigen reparaties verrichtten. Elke renners moest zelf voor ravitaillering zorgen. Dat betekende zoveel mogelijk in slaan in de bevoorradingen en dan maar hopen dat het genoeg was tot de volgende controle. Er werd niets klaar gezet. Men moest het maar gaan kopen bij middenstanders in de stad waar men het controleblad moest tekenen.
‘Als een renner wat wil drinken bij een dorpspomp dan zal hij zelf de pomp moeten bedienen,’ schreef Henri Desgrange. Alleen in de etappesteden mocht er op de rustdag assistentie verleend worden en dan nog uitsluitend ‘omdat het daar niet mogelijk was iedereen afzonderlijk te controleren.’

In april zou George Abran van start gaan met de organisatie. Over het parkoers zei Desgrange niets: ‘Daar kan ik vandaag niets over zeggen om redenen die u wel weet.’ En die waren met het kanongebulder op de achtergrond duidelijk. De droom van Desgrange om in 1915 zijn veertiende ronde te organiseren verdween van zelf naar mate de strijd aan de fronten in hevigheid toe nam.

Maar op 4 juni 1915 was er in eens weer belangrijk Tour de France-nieuws. Elk jaar werden de rapporten van de koerscommissarissen minutieus op hun juistheid onderzocht door het comité directeur van de Union Vélopicedique Francaise (UVF), maar daar waren de bonzen van de wielerbond in het najaar van 1914 niet aan toe gekomen. Men had echt wel andere zaken aan zijn hoofd dan te onderzoeken of de regels van de Tour wel juist waren toegepast door de commissarissen van de bond. Onder leiding van president Léon Breton, later voorzitter van de Union Cycliste Internaitonal (UCI) had men op 26 mei 1915 eindelijk de protocollen onderzocht.

Er werd één belangrijke omissie ontdekt. In de vierde rit Brest – La Rochelle was Emile Georget gestraft met 20 minuten wegens een bevoorrading buiten één van de controleposten. Dat werd met veertig minuten verhoogd, omdat het reglement een uur straf voorschreef bij de eerste overtreding, terugzetting naar de laatste plaats in het dagklassement bij de tweede overtreding en uitsluiting uit de koers bij een derde inbreuk op deze regel. De aanpassing van de tijdstraf betekende dat Georget één plaats in het klassement verloor. Hij zakte van plek zes naar zeven. Alphons Spiessens uit Boom, die maar 13 minuten achterstand in het al gepubliceerde eindklassement had op Georget steeg daardoor naar de zesde plaats. Dit bijzondere feit werd tot op heden in geen enkele publicatie van de einduitslag van de Tour 1914 vermeld.

Alphonse Spiessens steeg in juni 1915 nog naar de zesde plaats in het klassement van de Tour 1914. Een feit dat tot nu toe onbekend bleef.
FOTO: ARCHIEF RON COUWENHOVEN

Alle uitgedeelde straffen werden in het homologatierapport nog eens vastgelegd en die logen er niet om. De belangrijkste waren: Gabory en Allain na de derde rit uit koers gezet omdat ze een stuk per trein hadden afgelegd. Defraye een half uur straf in de vierde rit wegens hulp van een renner die niet tot zijn ploeg behoorde. Faber een half uur straf omdat hij was geduwd in de negende rit en een uur wegens bevoorrading buiten een controle in dezelfde rit. Hij was toen al uitgeschakeld voor de Touroverwinning. De isolé Kippert had in de twaalfde rit als gangmaker voor Egg van Peugeot gereden. Beiden kregen een half uur aan hun broek. Er werden in deze Tour dertien boetes uitgedeeld. De hoogste aan Garrigou en Godivier, die in Marseille en Belfort een official hadden beledigd: 100 francs.

Zo werd Francois Faber, twee maanden nadat hij was gesneuveld, nog een keer vermeld in een officieel Tour de Francedocument. Het was de laatste keer tijdens de Eerste Wereldoorlog dat Desgrange en de officials van de Franse wielerbond zich over de Tour de France bogen, maar het reglement van de Tour 1915 werd drie jaar later het model, waarnaar de Tourdirecteur de ronde van 1919 inrichtte. Daar liet hij trouwens geen gras overgroeien, want toen op 11 november 1918 de kanonnen eindelijk zwegen en in een bos bij Compiègne de wapenstilstand werd getekend, duurde het maar negen dagen (!) voor hij de Tour van 1919 aankondigde. Met ritaankomsten in Metz en Strassbourg in de Alsace, de steden die sinds 1870 Duits gebied waren, maar nu weer terugkeerden in La Douce France.

Charles Deruyter sprong onmiddellijk na de wapenstilstand op 11 november op de fiets en reed van Parijs naar Roubaix om na vier jaar eindelijk zijn vrouw en kind weer te zien.
FOTO: ARCHIEF RON COUWENHOVEN

En al die totaal verwoeste wegen in het noorden van Frankrijk? Geen probleem! Al een paar dagen na de elfde november schreef toprenner Charles Deruyter aan Desgrange dat hij op de fiets van Parijs naar Roubaix was gegaan. Hij had vier jaar lang zijn vrouw en kind niet gezien. ‘t Was best te doen,’ schreef hij, ‘Alleen voorbij Arras was het af en toe moeilijk!’

0 0 vote
Artikelbeoordeling
Abonneren
Abonneren op
guest
0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments