1915: Dood van Francois Faber

Tijd om feest te vieren was er niet voor Philippe Thys toen hij op 27 juli 1914 voor de tweede keer de Tour de France won. Een maand eerder, op 28 juni de dag van de start van de Tour in Saint Cloud bij Parijs, klonken er nog andere schoten in Europa. Sinister en met macabere gevolgen. De Servische nationalist Gravilo Princip schoot in Serajewo de Oostenrijkse kroonprins Frans Ferdinand en zijn vrouw dood. Terwijl Thys met zijn ouders een dag na zijn triomfale aankomst in het Parc des Princes een bezoek bracht aan de redactie van L’Auto verklaarde Oostenrijk Servië de oorlog. Daarna ging het snel. Rusland mengde zich in de strijd. Duitsland dook op 1 augustus in de oorlog aan de zijde van Oostenrijk. Frankrijk ging zich er mee bemoeien, omdat men een verdrag had met Rusland, en toen de Duitse legers op 4 augustus het neutrale België binnen trokken trad ook Engeland toe tot de waanzin. Door de algehele mobilisatie trokken tal van wielrenners in Frankrijk naar de kazernes.

 Francois Faber, zoals iedereen hem kende: robuust en alleen vooruit!\
FOTO: ARCHIEF RON COUWENHOVEN

Francois Faber was Luxemburger, maar voelde zich Fransman omdat hij daar al sinds zijn geboorte op 26 januari 1887 woonde. Hij was veruit de populairste coureur in Frankrijk en uiteraard ook in Luxemburg. Dat bleek wel toen hij op 22 juli de rit van Belfort naar Longwy op de grens met het geboorteland van zijn vader won. Hij reed die dag in de Luxemburgse kleren. De spoorwegen hadden extra treinen ingezet van hoofdstad Luxemburg naar Longwy en ze zaten stampvol. Hij reed 190 kilometer lang solo door de Elzas. Ruim zeven minuten voor een groep van elf man, waarin zes van zijn Peugeot-ploegmaten zaten die niets ondernamen. Dat was natuurlijk logisch, maar Henri Desgrange was woedend. In zijn rubriek En suivant la course veegde hij de vloer aan met Thys en zijn teamgenoten. ‘De Tour is een individuele koers,’ vond de directeur-hoofdredacteur van L’Auto, ‘De renners hebben hun kansen niet verdedigd. Dat is een schandaal.’

De drie koerscommissarissen volgden braaf in het spoor van de baas en gaven de zes een ‘zeer ernstige reprimande’. Een volgende keer dreigde uitsluiting uit de wedstrijd. Merkwaardig was dat de vijf andere achtervolgers van concurrerende ploegen niets verweten werd! Voor Faber maakte dat allemaal natuurlijk niets uit. Hij beleefde een triomftocht. Nancy? Tienduizenden toeschouwers juichten hem toe. Metz? Zelfde laken een pak. Longwy? Meer dan 40.000 fans ontvingen hem met een gigantische ovatie. Frans Faber won zijn negentiende etappe in de Tour de France. Een dag later zou hij er nog één aan toevoegen. Het was de bevestiging van wat iedereen al wist: Francois Faber was razend populair. Maar het waren zijn laatste kunststukken op de racefiets. Een week na afloop van de Tour was hij soldaat.

Vrijwel onmiddellijk na de mobilisatie in Frankrijk meldde hij zich als vrijwilliger voor het leger. Zoals ook talloze andere buitenlanders deden die in Frankrijk leefde. Hij werd ingelijfd bij de 3e compagnie van het 2de peloton van het 1e regiment van het Vreemdelingenlegioen. Daarin trof hij allemaal Luxemburgers, die niets liever wilden dan voor de bevrijding van hun overrompelde land vechten. Ze werden naar een kazerne in Bayonne gebracht, waar ze hun training kregen. Een dag voor Kerstmis schreef Faber een brief naar Henri Desgrange, die hem in zijn krant publiceerde: ‘Mijn gezondheid is prima. Een paar maanden slapen op strozakken heeft me niets gedaan. In tegendeel, ik voel me erg sterk en als het wielerseizoen nu zou starten zouden mijn kameraden allemaal achter me staan. Maar daar moet ik nu niet aan denken. Het gaat er nu om de Grote Match te winnen.’

De 3e compagnie van het eerste regiment van Luxemburgse vrijwilligers. Frans Faber staat vijfde van links op de eerste rij staande soldaten.
FOTO: ARCHIEF RON COUWENHOVEN

Desgrange had eind augustus op de Champs Elysées een kolonne soldaten gezien. Ook toen bleek de populariteit van Faber. Hij schreef er over: ‘De soldaten waren op weg naar het station. De mensen stootten elkaar aan. Kijk, zeiden ze, die grote daarvoor aan! Dat is Francois Faber! Iedereen klapte.’ Op 18 januari kwam er weer een brief van Faber bij L’Auto. Hij was inmiddels bevorderd tot korporaal. Dit keer schreef de Tourwinnaar van 1909: ‘Ik ontvang L’Auto regelmatig en dat doet mijn loopgraafkameraden veel plezier. Ze zijn Luxemburgers zoals ik en sportief, zoals u weet. Wij wachtten met ongeduld op ons vertrek naar Longwy en Luxemburg om de linies van de moffen aan te pakken.’

Maar zover kwam het niet. Faber en de Luxemburgers werden ingezet in de loopgraven aan de Somme bij het gehucht Carency aan de D58, niet ver van Vimy en Arras, de streek waar hij in 1913 nog zo glorieus was door gefietst op weg naar een fraaie overwinning in Parijs – Roubaix. Na die tweede brief bleef het lang stil rond Francois Faber. Wel was bekend dat hij consequent geweigerd had, gebruik te maken van zijn roem. Aanbiedingen om als verbindingsman per rijwiel op te treden voor zijn compagnie achter het front had hij steeds afgedaan met: ‘Ik wil vechten en de moffen uit de lopgraven verjagen.’ Hij werd één van de miljoenen naamloze soldaten die leefden in een hel van bagger en bombardementen. Maar op 19 mei 1915 publiceerde L’Auto triest nieuws: Francois Faber was gesneuveld op het Veld van Eer, zoals men dat toen omschreef.

De onheilstijding was door Louis Darragon, de wereldkampioen stayers in 1906 en 1907, naar L’Auto gestuurd. Men kon het niet geloven. Charles Cruchon, in 1910 winnaar van de Tour in de categorie Coureurs Isolé, bevestigde het ook. Beide renners vochten ook in de omgeving van Carency. De negende mei was er een groot offensief aan dit front ingezet. In het legercommunique van 15.00 uur de volgende dag werd het succes van de aanval aangekondigd. Carency, Notre Dame-de-Lorette en Neuville Saint Vaast waren ingenomen. Darragon schreef: ‘Hier is verschrikkelijk nieuws dat bevestigd is door Miquel: Faber, de Grote Faber, zou zondag dapper zijn gesneuveld bij de eerste aanval. Men heeft hem zien vallen. Dat is alles wat ik u kan zeggen, maar ik ga het verder onderzoeken.’

In 2015 werd tijdens de vijfde Tourrit Arras – Amiens een plaquette ter nagedachtenis aan Francois Faber onthuld op de helling van Saint Eloi vlakbij Carency.
FOTO: ARCHIEF RON COUWENHOVEN

Op de redactie van L’Auto konden ze het niet geloven. Het nieuws werd gepubliceerd onder de kop: ‘Francois Faber zou zijn gesneuveld.’ Een officiële bevestiging was er niet. Een verslaggever ging naar het huis van zijn vrouw in Colombes. Vijf dagen voor haar echtgenoot stierf was zij bevallen van een dochtertje dat Raymonde werd gedoopt. De journalist meldde: ‘Zij was erg ongerust. Ze had al dagen geen bericht meer van hem ontvangen.’ En het was inmiddels al 18 mei. Iedereen werd heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees. Een brief van Miquel maakte daar een eind aan. Hij schreef: ‘Zijn regiment lag op de rechterflank van ons bataljon. Ik wist dat Francois daar was, want Cruchon had hem een dag eerder nog gesproken. Ik heb nog geprobeerd hem te vinden, maar hij was met zijn regiment al naar de eerste linies vertrokken. Zondagavond vroeg ik naar hem bij de sergeant secretaris van het bataljon die meedeelde dat Francois zondag 9 mei was gesneuveld aan de zijde van zijn commandant. Ik heb het aan Darragon verteld. Als het mogelijk is zal ik er alles aan doen om zijn lichaam te vinden om het over te dragen aan zijn familie. Wij hebben hier de overhand. Op dit moment passeren mij 1300 krijgsgevangenen. We zullen niet stoppen voor de moffen minstens 25.000 man hebben verloren. Ze hebben van hun loopgraven ware forten gemaakt tot acht meter onder de grond. Alles is ondermijnd.’

Net als Miquel ging ook Darragon op onderzoek uit. Hij vond Georges Miroux, ‘de beste wapenbroeder van Francois.’ Hij was een oudere motorordonnance en verbindingsman. Met tranen in de ogen vertelde hij: ‘Francois zou gepromoveerd worden tot sergeant. De negende mei om tien uur ‘s ochtends was hij bij de ‘witte rotsen.’ Op het eerste signaal was hij nog maar enkele meters uit de loopgraaf toen hij schreeuwde: ‘Ik ben geraakt.’ Hij greep naar zijn buik en zakte in elkaar. Ik was daar kort daarna met orders. Nadat ik het vreselijke nieuws hoorde, rende ik het slagveld op, maar ik kon hem niet vinden. ‘s Avonds ging ik langs alle ambulances, maar nergens was er nieuws over hem. Hij is waarschijnlijk begraven tussen de eerste en tweede loopgraaf of bij de boerderij Berthonval, maar dat geloof ik niet. Hij was voor mij een echte wapenbroeder: vrij, loyaal, goed, je kon altijd op hem rekenen. Het is of hij er een voorgevoel van had, want een dag eerder gaf hij me een portefeuille met papieren waar in ook zijn licencie van de Union Cycliste Luxembourgeoise zat en ‘s ochtends voor de aanval gaf hij nog een andere portefeuille met geld.’

Over de dood van Francois Faber gaan al meer dan honderd jaar diverse romantische verhalen rond. Zo schreef Pierre Chany, topverslaggever van L’Equipe en schrijver van het standaardwerk La fabuleuse histoire du Tour de France: ‘De grote Faber met zijn herculische kracht was bijzonder vriendelijk. Hij stierf als een held. Hij verliet de loopgraaf, alleen en ongewapend, om een ernstig gewonde kameraad die vlakbij de Duitse linies om hulp riep. Hij nam hem op zijn schouders en was al bijna terug bij zijn compagnie toen een kogel hem trof.’

Een ander verhaal wil dat hij een brief van zijn vrouw kreeg met het bericht van de geboorte van Raymonde, waarop hij een vreugdesprong maakte en prompt door een Duitse sluipschutter werd gedood. De brieven van Darragon, Miquel en Cruchon aan Henri Desgrange schetsen een banaler beeld. Faber werd slachtoffer van oerouderwetse aanvalstechnieken: de compagnieën werden zonder pardon in slagorde opgesteld en ten aanval gestuurd zonder enige dekking, recht tegen het vernietigende vuur van de moderne Duitse mitrailleurs in. In het moordende vuur vielen ruim 1600 manschappen van het Luxemburgse regiment. Of het lichaam van de wielerkampioen ooit gevonden is, is niet duidelijk.

Het Luxemburgse gedenkteken ter herinnering aan de Tourkampioenen Faber en Frantz. Charly Gaul, winnaar van de Tour in 1958, en Federico Bahamontes, winnaar in 1959, legden er ooit bloemen.
FOTO: ARCHIEF RON COUWENHOVEN

Vlakbij de plek waar hij sneuvelde staat een monument dat herinnert aan de weergaloze kampioen. Ook in Luxemburg wordt zijn nagedachtenis nog steeds in leven gehouden met een herinneringsplaquette en de jaarlijkse Grand Prix Francois Faber.

Henri Desgrange schreef op 21 mei 1915 een uitvoerige necrologie over Francois Faber. Hij herinnerde zich de mars over de Champs Elyseés: ‘Ik zag Francois Faber. Hij liep voorop als een jonge god. Zijn blauwe ogen vol trots. Zijn magnifieke kop van de grote strijder, zijn enorme schouders, zijn indrukwekkende borst, zijn formidabele benen, alles wees op een gezonde, bijna dierlijke vreugde van een kampioen die een nieuwe job ging doen. Hij is gestorven op het Veld van Eer. Hij was één en al leven, activiteit, vreugde en gezondheid. Hij leek onsterfelijk, een blok gewapend beton. Zie daar, dat grote kind met dat grote hart, dat alleen maar vreugde om zich heen bracht. Wat een pijnlijk verlies! Maar misschien zijn er zulke bijzondere slachtoffers nodig om de mooiste overwinning te behalen.’

0 0 votes
Artikelbeoordeling
Abonneren
Abonneren op
guest
0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments